Veel ouders hebben in het verleden hun woonhuis aan hun kinderen overgedragen en daarbij bedongen dat zij tot hun overlijden in dat huis mochten blijven wonen. Die overdrachten vonden plaats om successierecht (nu: erfbelasting) te besparen. Bij de aanpassing van de Successiewet per 1 januari 2010 is deze opzet onmogelijk gemaakt. Daarbij is géén overgangswetgeving getroffen. Het gevolg daarvan is dat de waardestijging van de woning na de overdracht aan de kinderen alsnog in de heffing van erfbelasting wordt getrokken als de ouders komen te overlijden. Na lang aandringen, vanuit de rechtspraktijk én de Tweede Kamer, heeft Financiën onlangs alsnog toegestemd in een overgangsregeling. Maar die is wel erg bescheiden……..
De nihilbijtelling voor het privégebruik van auto’s met een CO²-uitstoot van 0 tot 50 gram per kilometer gaat op termijn vervallen. Voor deze auto’s gaat een bijtelling van 7% gelden als het kenteken voor het eerst op naam wordt gesteld in 2014 of 2015. Voor auto’s die thans onder de nihilbijtelling vallen is een overgangsregeling getroffen.
Voor auto’s met een CO²-uitstoot onder de 50 gram per kilometer geldt een nihilbijtelling voor privégebruik. De Tweede Kamer heeft deze regeling bij de behandeling van het Belastingplan 2012 gewijzigd, waardoor de nihilbijtelling op termijn komt te vervallen.
De regeling wordt als volgt:
zero-emissieauto’s – elektrische auto’s – waarvan het kenteken vóór 1 januari 2012 voor de eerste keer op naam is gesteld, behouden de nihilbijtelling tot 1 januari 2017;
auto’s met een CO²-uitstoot van meer dan 0, maar minder dan 50 gram per kilometer (de plug-in hybrids en erev’s, extended-range electric vehicles) kwalificeren voor een 0% bijtelling vanaf 1 januari 2012, ook gedurende maximaal vijf jaar. Wordt van deze auto’s het kenteken voor het eerst op naam gesteld in 2012 en 2013, dan geldt de 0% bijtelling gedurende maximaal vijf jaar vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin het kenteken van de auto voor het eerst op naam is gesteld. Wordt het kenteken van deze auto voor het eerst in 2014 of 2015 op naam gesteld, dan geldt een bijtelling van 7% voor het privégebruik, gedurende ten hoogste vijf jaar.
Veel ouders schenken vermogen aan hun kinderen door middel van een schenking onder schuldigerkenning. Het voordeel van zo’n schenking is dat die geen liquiditeiten vergt: de ouders kunnen vermogen overdragen zonder dat het hun geld kost. De schenking onder schuldigerkenning wordt daarom ook wel een ‘papieren schenking’genoemd. Bij zo’n schenking wordt vaak vastgelegd dat de kinderen de vordering op hun ouders pas kunnen opeisen nadat de langstlevende ouder is overleden. Die bepaling maakt de schenking onder schuldigerkenning tot een ‘schenking terzake des doods’, een schenking die pas uitgevoerd wordt ná het overlijden van de langstlevende ouder. Zo’n schenking moet bij notariële akte zijn gedaan wil die rechtsgeldig zijn. Is de schenking met een bepaling ‘des doods’ bij onderhandse akte gedaan, dan vervalt de schenking door het overlijden van de schenker, zo heeft de Hoge Raad onlangs beslist.
Als een vennootschap bovenmatig met vreemd vermogen is gefinancierd, is de rente op concernschulden beperkt aftrekbaar bij het vaststellen van de fiscale winst. Deze renteaftrekbeperking is vastgelegd in de thincap-regeling (de onderkapitalisatieregeling).
De thincap-regeling is uitsluitend van toepassing als de vennootschap deel uitmaakt van een groep – in de zin van het Burgerlijk Wetboek – met andere rechtspersonen en vennootschappen. De Hoge Raad heeft dat groepsbegrip in een recent arrest verduidelijkt. Voor het vaststellen van een groep is de omvang van de zeggenschap hét beslissende criterium: als er sprake is van een meerderheidsbelang is er in beginsel sprake van een groepsrelatie. Tegenbewijs is mogelijk: de ondernemer die het standpunt inneemt dat ondanks het meerderheidsbelang de thincap-regeling toch niet van toepassing is, krijgt de stelplicht én de bewijslast opgelegd om aan te tonen dat er geen sprake is van een groep.
De ondernemer die een onjuiste of onvolledige BTW-aangifte heeft gedaan en daardoor te veel of te weinig BTW heeft afgedragen, kan de Belastingdienst daarvan op de hoogte stellen door middel van een suppletie op zijn eerder ingediende aangiften. De ondernemer kán dat doen; hij is niet verplicht om dat te doen. Dat gaat veranderen: vanaf 1 januari 2012 is een ondernemer wettelijk verplicht om een BTW-suppletie in te dienen als hij teveel of te weinig BTW heeft afgedragen. Doet hij dat niet, dan riskeert hij een vergrijpboete van maximaal 100% van de met de suppletie gemoeide BTW. Die boete kan worden opgelegd naast de verzuim- of vergrijpboete wegens het niet tijdig betalen van de verschuldigde BTW.
Per 1 juli 2011 is de BTW-heffing over het privégebruik van een auto van de zaak ingrijpend gewijzigd. Onder de nieuwe regeling wordt het woon-werkverkeer voor de BTW-heffing aangemerkt als privégebruik. Financiën heeft in een recente beleidspublicatie het woon-werkverkeer voor deze BTW-heffing nader toegelicht.
Voor de BTW-heffing op het privégebruik van de auto van de zaak wordt onder woon-werkverkeer verstaan: het (heen en/of terug) reizen van de woon- of verblijfplaats naar de overeengekomen vaste werkplaats(en), waar de werknemer – één of meerdere dagen – zijn werkzaamheden verricht. Is er geen vaste arbeidsplaats overeengekomen, dan geldt – voor ondernemers én voor werknemers – dat alle reizen (heen en/of terug) van de woon- of verblijfplaats naar een bedrijfsadres van de ondernemer als woon-werkverkeer aangemerkt worden.
Uit deze definitie van het woon-werkverkeer blijkt duidelijk dat het (heen en/of terug) reizen van de woon- of verblijfplaats naar een andere plaats dan de vaste werkplaats of een bedrijfsadres niet als woon-werkverkeer kwalificeert. Het reizen van een bouwvakker naar de bouwplaats zal in de regel niet als woon-werkverkeer aangemerkt kunnen worden (tenzij die bouwplaats als vaste werkplaats is overeengekomen). Ook is er geen sprake van woon-werkverkeer als er arbeid op verschillende plaatsen wordt verricht, zoals bij schilders en onderhoudsmonteurs, maar ook bij accountants en adviseurs die bij hun klanten op kantoor werkzaamheden verrichten.
Voor de kwalificatie van woon-werkverkeer is het gebruikte vervoermiddel niet van belang: het gebruik van een bestelauto voor woon-werkverkeer kwalificeert zonder meer als privégebruik.
Iedere bestuurder van een BV is hoofdelijk aansprakelijk voor de door de BV verschuldigde loonheffing, omzetbelasting, premies voor het bedrijfspensioenfonds en nog diverse andere belastingen. De bestuurder kan een persoonlijke aansprakelijkstelling voorkomen door de betalingsonmacht van de BV tijdig bij de ontvanger van de Belastingdienst te melden. Dat geldt ook voor een nieuw aangetreden bestuurder van de BV, zo heeft Hof Den Bosch recent beslist. Een nieuwe bestuurder moet bij zijn aantreden nagaan of sprake is van betalingsonmacht bij de BV. Is dat het geval, dan moet hij checken of daarvan melding is gedaan bij de Belastingdienst. Zo nodig moet hij die melding alsnog doen. Laat hij dat achterwege, dan roept hij het risico van een aansprakelijkstelling over zich af.
De spaarloonregeling wordt per 2012 afgeschaft. De opgebouwde rechten worden geëerbiedigd. Werknemers kunnen hun opgebouwde spaarloon direct in 2012 zonder fiscale gevolgen opnemen. Zij kunnen er ook voor kiezen om het tegoed te laten staan; als zij de voorwaarden van de spaarloonregeling blijven naleven, kunnen zij de vrijstelling voor spaarloon in box 3 blijven benutten. De huidige deblokkeringsmogelijkheden blijven bestaan. In 2016 is de spaarloonregeling uitgewerkt.
Werknemers die (nog) niet deelnemen aan een spaarloonregeling, doen er verstandig aan om – in overleg met hun werkgever – nog dit jaar snel aan die regeling te gaan meedoen. Zij kunnen dan nog dit jaar maximaal € 613 belastingvrij sparen en dat bedrag per 1 januari 2012 belastingvrij opnemen.
Vereist is dan wel dat het spaarloon nog dit jaar wordt ingehouden op het loon, en dat de werkgever de 25% eindheffing afdraagt in de loonaangifte over de maand van inhouding. Overleg het eens met uw werkgever!
De ondernemer die een gedeelte van zijn huurwoning voor zijn onderneming gebruikt, kan het huurrecht van die woning – binnen de grenzen van de redelijkheid – tot zijn ondernemingsvermogen rekenen. Die keuze kan hem een forse kostenaftrek opleveren.
De belastingrechter in Arnhem heeft aanvaard dat een ZZP-er het huurrecht van haar woning tot het ondernemingsvermogen rekende. De ZZP-er gebruikte 25% van de ruimte in haar woning voor zakelijke doeleinden. Door de kwalificatie als ondernemingsvermogen kon zij alle kosten van de huurwoning – de huur plus alle andere kosten – in aftrek brengen op de winst en moest zij voor haar woongenot een onttrekking in aanmerking nemen van (de bij wet forfaitair voorgeschreven) 1,35% van de WOZ-waarde van haar woning.
De zelfstandigenaftrek wordt steeds verder uitgehold. Per 1 januari 2010 is bij wet geregeld dat de zelfstandigenaftrek uitsluitend in aftrek kan worden gebracht bij een toereikende winst uit onderneming. Heeft de ondernemer onvoldoende winst behaald, dan kan de niet aftrekbare zelfstandigenaftrek vooruit gewenteld worden en verrekend worden met winst in toekomstige jaren. Deze beperking geldt niet voor startende ondernemers.
Per 1 januari 2012 wordt de zelfstandigenaftrek verder beperkt en omgezet in een vaste aftrekpost, een basisaftrek van € 7.280. Deze vaste aftrek vervangt de zelfstandigenaftrek met acht schijven, waarbij de aftrek hoger wordt naarmate de winst uit onderneming lager is. Het kabinet wil deze ‘straf op groei’ wegnemen. De vaste basisaftrek betekent een lagere aftrek voor ondernemers met een winst uit onderneming tot afgerond € 18.500, ondernemers met een winst boven de € 53.500 gaat er met de vaste aftrek op vooruit, hun aftrek wordt hoger.